Groot of klein

19.04.2016
|
Comments off
|

Minister Bussemaker heeft onlangs voorgesteld de omvang van mbo-instellingen terug te brengen tot maximaal 5.000 studenten. De minister wil dat mbo’s herkenbaarder worden zowel voor studenten, ouders, docenten als voor het regionale bedrijfsleven. Waarom een instelling van 5.100 niet herkenbaar zou zijn en van 4.900 wel wordt niet duidelijk.

Gelijktijdig hanteert de overheid ook ondergrenzen voor organisatieonderdelen. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) wil asielen van minimaal 300 asielzoekers, anders kan een asielzoekerscentrum geen goede bedrijfsvoering hebben. Waarom een grens van 250 asielzoekers niet rendabel zou kunnen zijn en van 350 wel wordt niet duidelijk.

Wij kunnen de vraag van de optimale organisatiegrootte vanuit de theorie en vanuit de praktijk bekijken.

Diverse wetenschappelijke onderzoeken hebben stilgestaan bij de gevolgen van een grotere organisatieomvang. Grotere organisaties kennen meer hiërarchische lagen, hetgeen leidt tot communicatieverliezen en perceptieverschillen tussen de lagen. Leiders komen bij een te grote omvang tot een te grote afstand van de werkvloer te staan en nemen daarmee suboptimale beslissingen. Ten slotte leiden gewenste beloningsverschillen tussen de hiërarchische lagen tot een kostenverhogend effect. Daarentegen bestaat bij kleinere organisaties de veronderstelling dat zij minder professioneel zijn en onvoldoende kennis in huis (kunnen) hebben om effectief en efficiënt te kunnen werken.

In de praktijk blijken verschillen tussen de prestaties niet of nauwelijks een correlatie te vertonen met de omvang van de organisatie. Er zijn inderdaad voorbeelden bekend van grote onderwijsinstellingen die niet herkenbaar zijn, in financieel zwaar weer zitten en problemen hebben met kwaliteit en student- en medewerkerstevredenheid. Maar er zijn ook succesvolle grote onderwijsinstellingen en problematische kleine. Kijk bijvoorbeeld ook naar de detailhandel. De ene na de andere grote winkelketen gaat failliet en er zijn nieuwe kleine succesvolle winkels. Maar ook veel kleine winkels stoppen en nieuwe grote detailhandelsketens groeien.

Daarbij nemen de verschillen tussen groot en klein alleen maar af. Vroeger hadden grote ondernemingen gemakkelijker toegang tot de kapitaalmarkt en kon men eenvoudiger middelen vrijmaken voor onderzoek en ontwikkeling. Tegenwoordig kunnen ook kleine bedrijven crowd funden en komen innovaties juist eerder van kleine dan van grote bedrijven.

Kortom: het is nuttig organisaties te beoordelen op het gebied van financiën, kwaliteit of tevredenheid van medewerkers, klanten of studenten. De omvang van de organisatie is daarbij echter zelden een verklarende factor.

Peter Kasteleyn